De roeping van de eerste vier discipelen – deel 1

Marcus 1:16-20 (NBV)
“Toen Jezus langs het Meer van Galilea liep, zag hij Simon en Andreas, de broer van Simon, die hun netten uitwierpen in het meer; het waren vissers. Jezus zei tegen hen: ‘Kom, volg mij! Ik zal van jullie vissers van mensen maken.’ Meteen lieten ze hun netten achter en volgden hem. Iets verderop zag hij Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, die in hun boot bezig waren met het herstellen van de netten, en direct riep hij hen. Ze lieten hun vader Zebedeüs met de dagloners achter in de boot en volgden hem.”
De roeping van de eerste vier discipelen door Jezus, is een verhaal waar men in eerste instantie maar weinig betekenis aan geeft. Ondanks dat het een vreemd verhaal is, want de mannen lijken zonder enige redelijke aanleiding Jezus te volgen, waarbij zij alles (hun werk en vader) achterlaten.
In deze overdenking wil ik echter de veelheid van betekenissen en boodschappen die dit verhaal bevat, illustreren. Daartoe zal ik de volgende vragen en onderwerpen behandelen:
•    Het feit dat Jezus, in tegenstelling tot andere religieuze leiders in zijn tijd, discipelen zocht
•    De kracht die Jezus demonstreerde in de roeping
•    Het gezag van Jezus dat bleek uit de roeping
•    De mogelijkheid om nee te zeggen
•    De vraag waarom Jezus deze vier vissers riep
•    De betekenis van het zijn van ‘vissers van mensen’
•    Dit verhaal als voorbeeld van de opdracht om van mensen discipelen te maken

Van deze onderwerpen zullen de eerste vier in dit eerste deel van de overdenking behandeld worden. De andere drie volgen in het tweede deel.

Jezus zocht discipelen

In haar commentaar op het roepingsverhaal merkt Dowd twee dingen op aan de manier waarop Jezus zijn discipelen verzamelde. Ten eerste is Jezus’ methode van het krijgen van discipelen anders dan die van andere joodse rabbi’s uit zijn tijd. Die werden namelijk opgezocht door mensen die graag wilden leren en zelf zochten ze niet naar leerlingen.[1] Ten tweede werd de methode van het direct roepen van mensen vaker door filosofische leraars gebruikt. Al lieten respectabele filosofen zoals Plato zich net als de joodse rabbi’s vinden, en beschreven zij leraars die discipelen rekruteerden als charlatans.[2]
In deze houding zien we dat mensen gezien werden als zoekers naar het goddelijke of het bovennatuurlijke. En dat zij de mogelijkheid zouden hebben om deze te vinden. Een voorbeeld hiervan is Plato, die via de weg van de filosofie de kennis van de Ideeënbereikte. En hij beweerde dat de filosofie (redeneren, nadenken) de enige weg tot die kennis is.[3]

Deze kijk op het vinden van het goddelijke, paste echter niet bij het zelfbegrip van het Oudtestamentische Israëlische verbondsvolk. De Israëlieten zochten niet uit zichzelf naar God om Hem te vinden. Maar God nam het initiatief om een verbondsrelatie met hen te beginnen. Zo was het niet Abram die al winkelend voor goden uitkwam bij God. Maar het was God die hem riep en zei dat hij naar Kanaän moest gaan, waarop hij ging (Gen. 12:1-5). Hiernaast zag de profeet Jesaja Israël en zichzelf ook als zijnde geroepen door God met een doel (Jes. 42:6-7; 49:1-6), en niet als mensen die zelf God zelf zochten en vonden.[4] En zoals God steeds de Israëlieten riep, zo zou Jezus ook zijn volgelingen roepen en zichzelf aan hen openbaren.
In deze gegevens zit een belangrijke boodschap. Er is geen enkele manier waarop een christen zichzelf vol trots op de borst kan kloppen, omdat hij of zij een relatie met God heeft. Het initiatief tot de relatie tussen God en de mens is namelijk altijd bepaald door de gunst en genade van God. En het is altijd God geweest, die deze relatie in stand heeft gehouden. Dit zien wij terug in Gods reactie op de zonde van Adam en Eva (Gen. 3:22-25), in de bescher­ming van Kaïn (Gen. 4:15), het noachitisch verbond na de zondvloed (Gen. 9:8-17) en in het verbond met Abraham (Gen. 17). Uit dit laatste verbond blijkt ook de weg die God wil gaan. Namelijk een weg naar een aarde waarop Gods vrede en zegen heersen, dit zal God eerst aanbieden via het sinaïverbond, maar later via Jezus Christus.[5]

Jezus’ kracht gedemonstreerd in de roeping

1 Koningen 19:19-21
“Elia ging weg van de Horeb. Toen hij Elisa, de zoon van Safat, aantrof was deze aan het ploegen. Ze waren aan het werk met twaalf span ossen; Elisa liep achter het twaalfde span. Elia liep op hem af en gooide zijn mantel over hem heen. Meteen liet Elisa zijn ossen in de steek en rende achter Elia aan. ‘Laat mij afscheid nemen van mijn vader en moeder,’ zei hij, ‘dan zal ik met u meegaan.’ ‘Doe wat je wilt,’ zei Elia. ‘Ik dwing je nergens toe.’ Elisa ging terug, slachtte zijn ossen, braadde het vlees op het hout van hun juk en bood het zijn knechten aan. Daarna ging hij met Elia mee als zijn dienaar.

Wanneer Elia zijn mantel over Elisa heen gooit blijkt dit een zeer krachtige handeling te zijn. Niet alleen weet Elisa dat van hem verwacht wordt dat hij Elia volgt, maar hij doet dit ook. We zien hierbij echter dat hij wel eerst afscheid wil nemen van zijn ouders, en het vlees van de ossen waarmee hij werkte op hun juk braadde alvorens Elia te volgen.

Bij de roeping van de discipelen gebeurt ongeveer hetzelfde. Kowalski stelt dan ook dat in beide gevallen er sprake is van een epifanie (Godsverschijning), omdat in beide gevallen de roeping onverwachts plaatsvond en er gelijk gehoor aan werd gegeven.[6] En Dowd stelt dat we in beide verhalen een patroon zien waarbij mensen hun werk en familie verlaten om de opvol­ger van een man Gods te worden.[7]

We kunnen echter niet zeggen dat de roeping van de discipelen dezelfde is als de roeping van Elisa, dit om twee redenen. Ten eerste was er bij de roeping van de discipelen geen sprake van dat één van hen Jezus zou opvolgen, zoals Elisa dit wél bij Elia zou doen. Jezus riep de discipelen alleen maar op om Hem te volgen.[8] Ten tweede zien we dat waar Elisa eerst nog afscheid nam van zijn ouders voordat hij Elia volgde, Jakobus en Johannes dit niet deden. Maar zonder ook maar iets te zeggen tegen hun vader (die op dat moment bij hen in de boot was) Jezus volgden. Dit is omdat Jezus’ oproep veel dringender was.[9] Jezus zei dan ook later: “Wie de hand aan de ploeg slaat [red. Zoals Elisa deed]en achterom blijft kijken, is niet geschikt voor het koninkrijk van God.’ (Luc. 9:62, NBV 2004).[10]

We zien vooral aan het tweede verschil dat de roep van Jezus krachtiger was dan de roep van Elia. De discipelen volgden Hem dan ook meteen. Hierbij konden zij niet nog even achteruit kijken; als je koos voor Jezus moest je Hem direct volgen. Iets dat klinkt als een echo van Genesis 19:17, waarin de engelen Lot en zijn gezin gebieden om te vluchten uit Sodom en hierbij niet om te kijken. Lot’s vrouw, die wel omkeek, betaalde hiervoor met haar leven, zij veranderde namelijk in een zoutpilaar (Gen. 19:26). Zo hadden de discipelen ook een hoge prijs moeten betalen als zij nog hadden willen omkijken, hadden zij dan geen volgelingen van Jezus kunnen worden.

Hiernaast is aan het eerste verschil de kracht van de roeping ook zichtbaar. De discipelen volgden Jezus namelijk zonder ook maar het geringste te begrijpen van wat er komen zou. Dit in tegenstelling tot Elisa, die doordat Elia zijn mantel over hem heen gooide, wist dat hij diens opvolger zou gaan worden. Desondanks volgden de discipelen meteen, terwijl Elisa eerst nog wat zaken wilde afhandelen. De roeping en de reactie daarop waren dus erg krachtig.

Het gezag van Jezus

Lucas 5:1-5 (NBV 2004)
“Toen hij eens aan de oever van het Meer van Gennesaret stond en het volk zich om hem verdrong om naar het woord van God te luisteren, zag hij twee boten aan de oever van het meer liggen; de vissers waren eruit gestapt, ze waren bezig de netten te spoelen. Hij stapte in een van de boten, die van Simon was, en vroeg hem een eindje van het land weg te varen; hij ging zitten en gaf de menigte onderricht vanuit de boot. Toen hij was opgehouden met spreken, zei hij tegen Simon: ‘Vaar naar diep water en gooi jullie netten uit om vis te vangen.’ Simon antwoordde: “Meester, de hele nacht hebben we ons ingespannen en niets gevangen. Maar als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen.”

Naast Jezus’ kracht wordt ook Zijn gezag zichtbaar in de roeping. Dit gezag is in de roepings­verhalen op drie verschillende manieren aanwezig.

Jezus beveelt, Hij vraagt niet


Wanneer Jezus de discipelen roept, vraagt Hij hen niet vriendelijk om met Hem mee te komen. In plaats hiervan beschrijft Marcus de roeping met de imperatief “Kom, volg mij” (Mar. 1:17). Smith gaat zelfs zo ver dat Hij de roeping vergelijkt met een militair bevel.[11] Dit bevel komt uit het niets en dient opgevolgd te worden. Hierover is geen onderhandeling mogelijk, bot gezegd (in Scott Spencers woorden) betekent dit het volgende: “It is his way or the highway”.[12]

Deze Jezus, die opdringerig en gebiedend is, is vandaag de dag uit de mode. Volgens Scott Spencer lijkt Jezus op deze manier op een absolute monarch, zoals Caesar en Herodes Antipas in Jezus’ tijd waren. Al waren de regels die Jezus de discipelen oplegde radicaal anders dan de tiranniserende regels van Caesar en Herodes. Zo stonden in het koninkrijk van Jezus rechtvaardigheid en genade centraal in tegenstelling tot de onderdrukking die mensen ervoeren onder Caesar en Herodes.[13] Jezus is dus inderdaad een absolute monarch, om het zo te zeggen, maar onder deze monarch is het goed vertoeven voor diens onderdanen.

De gebiedende stijl die Jezus gebruikte volgde overigens de manier waarop God in het Oude Testament profeten riep. Zo werd Jona niet eens fatsoenlijk geroepen, maar kreeg hij meteen de opdracht om naar Ninevé te gaan (Jona 1:1-2) en werd ook Ezechiël direct met een opdracht geroepen (Ez. 1:28b-2:8), welke hij uiteindelijk met tegenzin zou uitvoeren (Ez. 3:14-15). Wij zien hierin terug dat God optrad als absolute heerser, wat uiteindelijk ook ten voordele zou zijn voor hen die Hem gehoorzaamden. Dit kunnen wij ‘uit de mode’ vinden, maar het is wel het beste voor ons.

Naast het roepen van de discipelen voegt Lucas in zijn versie van het verhaal nog een bevel toe dat Jezus aan Simon Petrus geeft. Dit bevel luidt dat hij naar diep water moet varen om te vissen. Deze opdracht lijkt compleet onredelijk, Simon Petrus stelt namelijk dat hij en zijn medevissers al de hele nacht gevist hebben en niks gevangen hebben. “Maar”, stelt hij, “als u het zegt, zal ik de netten uitwerpen” (Luc. 5:5). Dit maakt het gezag van Jezus duidelijk, als Hij een bevel geeft, volgt Simon Petrus het op.

We zien dus dat God mensen niet lief vraagt of zij iets voor Hem willen doen, maar hen beveelt. Hij is immers de koning van de wereld (Mal. 1:14). En we zagen eerder al dat het door Zijn gunst is dat wij een relatie met hem kunnen hebben. Wij zullen ons dus moeten schikken naar Zijn wensen voor ons als wij die relatie ook willen hebben (Kol. 2:6-15), wat tevens het beste voor ons is. Dit betekent dat als Hij zegt: ‘Ga!’ dat wij gaan en als Hij zegt: ‘Kom!’ dat wij komen en als Hij zegt: ‘Doe dit!’ dat wij het doen (vgl. Mat. 8:5-13). Het betekent niet dat wij moeten klagen dat God te veeleisend is als Hij iets van ons eist, want dat is Hij niet (1 Kor. 10:13).

Jezus maakte van de discipelen wat Hij wilde dat zij zouden zijn

Het gezag van Jezus wordt niet alleen duidelijk uit het feit dat Zijn bevelen opgevolgd werden, maar ook uit het feit dat Jezus de discipelen zou gaan vormen. Bij de roeping van de discipelen zien we namelijk staan dat hij zegt: “Ik zal van jullie vissers van mensen maken” (NBV 2004). Wat dit zou gaan betekenen was voor de discipelen onduidelijk, ze hadden geen idee aan wat voor avontuur zij zouden beginnen.[14] Het kan dus nooit duidelijk geweest zijn of de discipelen dit wel zouden willen. Maar toch doet Jezus deze uitspraak met een bronzen vertrouwen. Hij stelt hiermee immers indirect dat Hij van de discipelen zal maken wat Hij wil dat ze zijn, niet wat zijzelf willen zijn, en dat zij dit nog zullen accepteren ook.[15]

We horen hierin echo’s terug van Jesaja’s beeld dat zowel Hij als de Israëlieten geroepen waren door God met een doel (Jes. 42:6-7; 49:1-6) en van het beroemde beeld van de pottenbakker in Jeremia 18:1-12. Uit deze teksten werd duidelijk dat God ons niet zomaar roept, maar dat Hij ons roept met een doel. Dit doel is altijd om ons te vormen en in te zetten voor Zijn koninkrijk. Iets dat Jezus uitdrukte door te stellen dat Hij de discipelen zou maken tot vissers van mensen.

Jezus als vervanger voor de aardse koning

In zijn commentaar op de roeping van de discipelen stelt Scott Spencer dat de vissers in Jezus’ tijd in het meer van Galilea niet alleen maar voor zichzelf werkten. Er was namelijk door het Romeinse rijk heen veel vraag naar de vis uit het meer van Galilea. Koning Herodes had dit door en hief daarom van alle kanten belasting op het vangen en exporteren van deze vis. Zo moesten de vissers een visvergunning kopen, enorme quota’s halen (van vis die ze moesten inleveren), belasting betalen over hun inkomsten, tol betalen en nog meer.[16]

Lezen wij het verhaal over de roeping in dit licht, dan zegt Jezus in feite dat de discipelen voor Hem zouden gaan werken en niet meer voor Herodes. En dat zij voor het koninkrijk van God zouden gaan vissen, in plaats van voor het Romeinse rijk.[17] We zien hierin dat Jezus zichzelf opstelt als concurrent van de aardse koningen.

Deze concurrentie laat ons een echo horen van de worsteling tussen God en de farao om de dienstbaarheid van het volk Israël, waarvan heel Exodus 1-15 in het teken staat. Meerdere malen gaf God hierin de farao de opdracht om Israël te laten gaan om Hem te vereren (Ex. 7:16[18]). Dit stond in een duidelijk contrast met de farao die wilde dat de Israëlieten hem dienden en niet God (Ex. 1:13[19]). Maar wat God wilde, en uiteindelijk ook zou bereiken, was dat niet de farao de koning van Israël zou zijn, maar Hijzelf.[20] Zo zou ook Jezus de koning van de discipelen, en de mensen, worden, in plaats van Herodes (of andere koningen).

De mogelijkheid om nee te zeggen

In zijn beschrijving van discipelschap als roeping beschrijft Trakatellis dat Marcus benadrukte dat discipelschap altijd begint met een roeping door Jezus, dus op Jezus’ initiatief. Het discipelschap was zodoende volledig afhankelijk van Jezus. Maar deze roeping vereist volgens Trakatellis ook een antwoord. En niet zomaar een antwoord, maar een radicale beslissingen die ertoe leiden dat de potentiële discipel Jezus kan volgen. Men kan besluiten om deze beslissing niet te nemen en negatief te antwoorden op de oproep. Zoals de rijke man in Marcus 10:17-22 dit deed. Dit is een herinnering aan het feit dat de roeping van Jezus, hoe krachtig deze ook is, nooit onze vrije wil als mensen inperkt. En dat de roeping onze verant­woordelijkheid om te antwoorden niet wegneemt.[21]

Berkhof stelt dan ook dat de mens erop is gebouwd om God te ontmoeten en om te ant­woor­den op diens Woord, waarmee hij ook Gods liefde bedoelt. Hij omschrijft de mens dan ook in ongewoon Nederlands als een “antwoordelijk wezen”. Niet “antwoordend”, want dat zou betekenen dat de mens altijd op Gods aanbod van zijn Woord ingaat, wat niet het geval is.[22]
Hiernaast is de mens volgens Berkhof ook gebouwd op liefde. De mens kan niet zonder voeding door liefde van buitenaf en kan ook niet zonder te antwoorden op die liefde. Dit alles maakt echter dat vrijheid wezenlijk is voor een mens. Een antwoord is immers niet een echo, maar wordt in vrijheid gegeven. En afgedwongen liefde zou een tegenspraak in zichzelf zijn. Dit is dan ook waarom Gods kracht niet onze vrije wil inperkt.[23]

De mens heeft dus de vrijheid om ‘nee’ te zeggen tegen God. De vraag die dit oproept is echter hoe het kan dat men uit vrije wil God afwijst, terwijl Hij zijn kracht en liefde aan hen openbaart. Het antwoord hierop is te vinden in het roepingsverhaal volgens Lucas (Luc. 5:1-11) en het verhaal over de rijke man (Mar. 10:17-22).

In Lucas 5:8 zien we dat Simon Petrus op zijn knieën viel voor Jezus en zei: “Ga weg van mij, Heer, want ik ben een zondig mens” (NBV 2004). Simon Petrus gebood Jezus (niet succesvol gelukkig) hier om weg te gaan omdat hij de nabijheid en majesteitelijkheid van Jezus niet kon verdragen. Petrus besefte dat er een enorme afstand was tussen Jezus en zichzelf en kon dit niet aan. Hij voelde zich niet geschikt om met iemand als Jezus om te gaan omdat hij zondig was, terwijl Jezus God was.[24]
Zo voelde de rijke man in Marcus 10:17-22 zich ook ongeschikt om Jezus te volgen. De afstand tussen zichzelf en Jezus was domweg te groot. Het lukte hem wel om zich aan een aantal basale geboden te houden. Maar hij voelde zich niet geschikt om Jezus te volgen, omdat hij dacht niet zonder zijn bezittingen te kunnen, net zoals Simon Petrus dacht dat hij te zondig was.

Conclusie

Uit het voorgaande kunnen wij het volgende concluderen over de roeping van de eerste vier discipelen door Jezus:

  • In tegenstelling tot andere leraars uit Zijn tijd zocht Jezus discipelen. We zien hierin terug dat onze relatie met Hem volledig afhankelijk is van Zijn initiatief. Hij riep ons, terwijl wij Hem niet zochten en openbaarde zich aan ons. Wij kunnen ons dus niet op de borst kloppen dat wij hem gevonden zouden hebben.
  • In de roeping van de discipelen wordt de kracht van Jezus gedemonstreerd, de mensen zagen God in Jezus en volgden hem direct, zoals Elisa ook Elia zou volgen. Al zou Elisa eerst nog wat andere zaken afhandelen. We zien aan dit laatste detail dat Jezus’ roep krachtiger en urgenter was dan die van Elia.
  • Jezus gezag wordt in de roeping ook duidelijk op drie verschillende manieren:
    ◦    Ten eerste gehoorzaamden de discipelen Jezus direct, terwijl Hij hen op een onverwacht moment met een bevel riep.
    ◦    Ten tweede zou Jezus van de discipelen maken wat Hij wil dat zij zijn, niet wat zij zelf graag zouden willen zijn.
    ◦    Ten derde zien we dat Jezus zich presenteerde als nieuwe koning om te dienen, als alternatief voor koning Herodes. De discipelen zouden gaan vissen voor Gods koninkrijk en niet meer voor dat van Herodes.
  • Ondanks al deze kracht en dit gezag blijft er voor mensen de mogelijkheid om niet in te gaan op de roeping door Jezus. Jezus’ roep perkt onze vrije wil niet in. Wij zijn namelijk ‘antwoordelijke wezens’ die erop zijn gemaakt te antwoorden op Gods liefde met onze eigen liefde. Deze laat zich echter niet dwingen.
  • Dit roept de vraag op waarom wij God zouden afwijzen als Hij ons Zijn kracht en liefde openbaart. Het antwoord op deze vraag is, dat deze kracht ervoor kan zorgen dat mensen de afstand tussen henzelf en God voelen, wat ervoor kan zorgen dat zij zich niet geschikt voelen om Jezus te volgen.

Geschreven door Fabian Eikelboom

[1] S.E. Dowd, “Reading Mark: A literary and Theological Commentary on the Second Gospel”, Macon, GA (2001), p. 16
Jezus werd ook ‘rabbi’ genoemd. Dit gebeurde op 13 plaatsen in de evangeliën, dit zijn: Matteüs 26:25 en 49, Marcus 9:5; 11:21 en 14:45 en Johannes 1:38 en 49; 3:2 en 26; 4:31; 6:25; 9:2 en 11:8.
[2] Idem. pp. 16-17
[3] H.J. Störig, Geschiedenis van de filosofie, vertaald door P. Brommer & J.K van den Brink e.a., Houten-Antwerpen (201035e), p. 1681 kings 19:19-21
[4] S.E. Dowd, “Reading Mark: A literary and Theological Commentary on the Second Gospel”, p. 17
[5] G. van den Brink & C. van der Kooi, Christelijke Dogmatiek, Zoetermeer (2012), pp. 289-290
[6] W. Kowalski, “The Call To Discipleship: A Challenge To Personal Commitment”, African Ecclesial Review, 42.3-4 (2000), p. 121
[7] S.E. Dowd, “Reading Mark: A literary and Theological Commentary on the Second Gospel”, p. 17
[8] C.W.F. Smith, “Fishers of Men: Footnotes on a Gospel Figure”, Harvard Theological Review, 52.3 (1959), p. 197 (voetnoot 28)
[9] M. Horne, The Victory According to Mark: An Exposition of the Second Gospel, Moskou (2003), p. 39
[10] C.A. Evans, “Luke’s Use of the Elijah/Elisha Narratives and the Ethic of Election”, Journal of Biblical Literature, 106.1 (1987), p. 81
[11] C.W.F. Smith, “Fishers of Men: Footnotes on a Gospel Figure”, p. 191
[12] F. Scott Spencer, ““Follow Me” The Imperious Call of Jesus in the Synoptic Gospels”, Interpretation, 59.2 (2005), pp. 142-143
[13] Idem. p. 143
[14] G. Van Oyen, “Marcus”, in: K. Spronk, A. van Wieringen (eds.), De Bijbel Theologisch,  Zoetermeer (2011), p. 151
[15] F. Scott Spencer, ““Follow Me” The Imperious Call of Jesus in the Synoptic Gospels”, p. 144
[16] Idem. p. 145
[17] Idem. p. 145
[18] De opdracht van God aan de farao om de Israëlieten te laten gaan om Hem te vereren staat ook in Exodus 7:26; 8:16; 9:1,13 en 10:3. Hiernaast dringen de hovelingen van de farao er in Exodus 10:7 op aan dat de farao hen laat gaan om God te vereren.
[19] Andere teksten waaruit blijkt dat de farao de Israëlieten als zijn werkers wilde hebben staan in Exodus 5:18; 6:5 en 14:5,12.
[20] C. Houtman, “Exodus”, in: K. Spronk, A. van Wieringen (eds.), De Bijbel Theologisch,  Zoetermeer (2011), p. 33
[21] D. Trakatellis, ““Akoulothei Moi/Follow me” Discipleship and Priesthood”, Greek Orthodox Theological Review, 30.3 (1985), pp. 272-274
[22] H. Berkhof, “Christelijk Geloof ”, 9edruk, Kampen 2007, pp. 182-183
[23] Idem, pp. 183-184
[24] G. van den Brink & C. van der Kooi, Christelijke Dogmatiek, p. 383

Comments are closed.