Kinderen en het koninkrijk deel 1: Kinderen in het Oude Testament

Vandaag de dag zijn de meeste mensen in de kerk van mening dat kinderen erg belangrijk zijn. Hierom is het zinnig om na te denken over de vraag hoe de bijbel tegen kinderen aankijkt. Dat wil ik doen in deze en de volgende overdenkingen.
In deze overdenking wil ik specifiek kijken naar de manier waarop in de tijd van het Oude Testament naar kinderen werd gekeken. Dit wil ik doen aan de hand van de volgende teksten en onderwerpen:
• “Wees vruchtbaar en wordt talrijk”
• “Kinderen zijn een geschenk van de Heer”
• Kinderloosheid werd gezien als ellendig
• Kinderen als deelnemers aan het verbond

In de hierop volgende delen van deze overdenking wil ik de volgende zaken behandelen.
• Deel 2: Hoe mensen in de tijd van Jezus tegen kinderen aankeken
• Deel 3: Het belang van kinderen volgens Jezus
• Deel 4: Kinderen als deel van de geloofsgemeenschap

De eerste twee delen zullen vooral dienen om de achtergrond te schetsen waartegen Jezus en anderen in het Nieuwe Testament hun uitspraken over kinderen deden. In de laatste twee delen zal aan bod komen hoe men in het Nieuwe Testament tegen kinderen aankeek en wat wij daar vandaag de dag van kunnen leren.
“Wees vruchtbaar en wordt talrijk”
Gen. 1:27-28 (NBV 2004)
“God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hen, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. Hij zegende hen en zei tegen hen: “Wees vruchtbaar en wordt talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag; heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.”
Vaak denkt men aan de hand van Genesis 1:28 dat God de mens vlak na de schepping het gebod gaf om vruchtbaar te zijn en talrijk te worden. Dat is om drie redenen een erg vreemd standpunt. Ten eerste hebben wij weinig invloed op onze vruchtbaarheid. Wij bepalen niet of en wanneer wij vruchtbaar zijn, maar God (vgl. Gen. 21:1; 29:31; 30:22). Ten tweede liggen leven en dood in Gods handen, dus hij bepaalt in hoeverre wij talrijk zijn en niet wijzelf (vgl. Deut. 32:39). En ten derde: De apostelen (zoals Paulus) zouden ongehoorzaam zijn geweest aan dit gebod, want zij bleven allen voor zover wij weten kinderloos.
Aan de uitspraak “Wees vruchtbaar en wordt talrijk” zien we, dat dit geen gebod kan zijn. Maar wat is het dan wel? Van Leeuwen stelt dat het een zegen is. Het gaat niet om wat wij mensen moeten doen, maar om wat God doet voor en door ons heen. Hij wijst er hierbij op, dat God Adam en Eva zegende en daarop de ‘opdracht’ uitsprak. In modern taalgebruik lijkt dit op een wettelijke opdracht, maar in werkelijkheid is het een zegen.[1]
Desondanks is het niet vreemd om in de zegen ook een opgave te zien. Atkinson stelt dat al Gods zegeningen niet alleen een gave geven, maar ook een opgave. Bij de zegening van vruchtbaarheid is dat niet anders.[2] De zegeningen die God ons geeft, mogen dan ook niet voor niets zijn. Zij mogen niet verspild worden. Toch is dat iets anders dan ervan uitgaan dat dit een verplichting voor iedereen impliceert. Dat God de zegen gaf, houdt namelijk in dat Hij ervoor zorgt dat het goed komt en dat niet wij dat moeten doen.
We zien hierin dat het kunnen krijgen van kinderen en het talrijk worden, werd gezien als een zegen (vgl. Ps. 128:3-5). Als we dit begrijpen, dan zien we dat Paulus door niet te trouwen en geen kinderen te krijgen niet een zonde beging, maar een enorm offer bracht voor God.
“Kinderen zijn een geschenk van de HEER”
Psalm 127:1b-5 (NBV 2004)
“Als de HEER het huis niet bouwt, vergeefs zwoegen de bouwers; als de HEER de stad niet bewaakt, vergeefs doet de wachter zijn ronde.
Vergeefs is het dat je vroeg opstaat, je laat ter ruste legt, je aftobt voor wat brood – hij geeft het zijn lieveling in de slaap.
Kinderen zijn een geschenk van de HEER, de vrucht van de schoot is een beloning van God. Als pijlen in de hand van een schutter, zo zijn kinderen, verwekt in je jeugd.
Gelukkig de man wiens koker is gevuld met pijlen zoals zij. Hij staat niet te schande als hij zijn vijanden aanklaagt in de poort.”
Veel mensen zien Psalm 127 als een samenraapsel van twee wijsheidsuitspraken, respectie­velijk bestaande uit verzen 1-2 en 3-5 (hierboven is de eerste alinea van de psalm vers 1-2 en de tweede alinea vers 3-5). Sommigen gaan hierin zo ver dat ze stellen dat er sprake is van twee psalmen in één, “have no manner of connection in thought”.[3] Met andere woorden: Die niks met elkaar te maken hebben.
Miller stelt echter dat er wel degelijk sprake is van een eenheid binnen Psalm 127. Met het ‘huis’ in vers 1 wordt volgens hem het gezin bedoeld. Zoals in 2 Samuel 7:27 en in 1 Kronieken 17:10.[4] God zegent een echtpaar met kinderen, zij zijn dan het middel waarmee God het huis bouwt.[5]
Deze kinderen zijn als pijlen in een koker (Ps. 127:4-5). Uit deze vergelijking blijkt waarom het krijgen van kinderen een zegen en een geschenk van God is. De functie van pijlen is namelijk tweeledig. Ze bieden veiligheid en kunnen aanvallend gebruikt worden. Zo bieden zonen veiligheid tegen rampspoed, door deze voortijdig te voorkomen. Iets dat geuit wordt in vers 5b, waar staat dat de vader van zulke kinderen niet te schande staat als hij een ander aanklaagt.[6] De kinderen hebben in dit geval voorkomen dat de vader te schande zou staan, bijvoorbeeld door zich voorbeeldig te gedragen.
Maar de kinderen kunnen ook een aanvallende functie hebben, dat wil zeggen dat zij de invloedssfeer van hun vader kunnen vergroten. En die zelfs tot na zijn dood kunnen laten door leven. Iemand kan dankzij zijn zonen een permanente bijdrage leveren aan de maatschappij.[7] Zoals David bijdroeg aan een eeuwig koninkrijk geleid door Jezus (Luc. 1:69).
Nu klinkt dit erg leuk, maar er hangt een grote voorwaarde aan het feit dat kinderen als een zegen en geschenk zijn voor de ouders. Namelijk dat God degene moet zijn die het huis bouwt. Als wij zelf het huis proberen te bouwen, zoals Abram en Sarai dit deden, dan komen er alleen maar problemen van (Gen. 16:1-6). Dan zullen de kinderen juist de reden zijn dat hun vader te schande staat als hij zijn vijanden aanklaagt en ze zullen zijn bijdragen aan de maatschappij verwoesten in plaats van deze in stand te houden.
Kinderloosheid werd gezien als ellendig
Genesis 30:1-2 (NBV 2004)
“Omdat Rachel geen kinderen van Jakob kreeg, was ze jaloers op haar zuster. “Geef mij kinderen,” zei ze tegen Jakob, “ anders ga ik dood!” Jakob werd kwaad en antwoordde: “Ik ben toch zeker God niet? Híj onthoudt jou het moederschap!”
Door het Oude Testament heen kunnen we zien dat het krijgen van kinderen erg belangrijk was. Zo bracht het niet krijgen van kinderen spanningen tussen Jakob en Rachel. Ook was het voor een vrouw vernederend om geen kind te krijgen (Gen. 16:4; 30:22-23) en het bracht  veel verdriet (1 Sam. 1:1-10). Hiernaast bracht het ook stress, want als een vrouw geen kinderen had, dan ging de erfenis van haar man naar diens meest directe familielid en niet naar haar (Num. 27:8-11).[8] En in die situatie was het nog maar de vraag wie er voor haar zou zorgen als haar man stierf.
Het leviraatshuwelijk (Deut. 25:5-10) kon er dan nog wel voor zorgen dat zij een kind kon baren naar wie de erfenis ging, zodat zij zich door dat kind kon laten verzorgen. Maar dan moest er wel een broer van de man zijn die daartoe bereid was. Als de eventuele broers van de man niet bereid waren om te trouwen met diens vrouw, dan mochten ook zij geen aanspraak maken op diens erfenis. Iets dat gesymboliseerd werd door de weduwe die zijn sandaal uit moest trekken.[9]
Voor een man betekende kinderloosheid dat hij zijn hele leven voor niets gewerkt had. Zo vond Abram dat het nutteloos zou zijn als God hem zou belonen, omdat hij kinderloos was (Gen. 15:2-3). Het vergaren van bezit was voor een man dus zinloos, als hij geen kinderen kreeg. Zijn gehele leven zou dan voor niets geweest zijn.
Het niet hebben van kinderen was dus een ellende voor mensen. Maar wij moeten ons Psalm 127:1-2 herinneren. Daar staat dat het zelf bouwen van een huis(gezin) vergeefs is. Wanneer men dus buiten God om met iemand trouwt en kinderen krijgt, neemt het de ellende van kinderloosheid dus niet weg. Sterker nog,  koning Jechonja, die zijn huis op onrechtvaar­digheid bouwde (Jer. 22:13), daar zei Jeremia het volgende over: “Dit zegt de HEER: Stel deze man als kinderloos te boek, schrijf dat zijn leven mislukt is, want geen van zijn nakomelingen zal ooit op Davids troon zitten en over Juda regeren.” (Jer. 22:30).
Nu had Jechonja tenminste één zoon, namelijk Assir (1 Kron. 3:17). Maar toch moest hij als kinderloos te boek staan, omdat geen van zijn kinderen de troon van Juda zou bestijgen.[10] Hierin zit gelijk een belangrijke reden verborgen waarom kinderloosheid zo vreselijk was. Het zorgde ervoor dat de ouders geen erfenis konden achterlaten en geen blijvende invloed konden hebben. Deze erfenis kon men echter ook niet achterlaten als men wel kinderen had, maar niet met God wandelde (dus, als het huis niet door de HEER gebouwd was). Het leven met een zelfgebouwd gezin is even zinloos als het leven zonder kinderen.
Kinderen als deelnemers aan het verbond
Genesis 17:9-13 (NBV 2004)
“Ook zei God tegen Abraham: “Jij moet je houden aan dit verbond met mij, evenals je nakomelingen, generatie na generatie. Dit is de verplichting die jullie op je moeten nemen: alle mannen en jongens moeten worden besneden. Jullie moeten je voorhuid laten verwij­deren; dat zal het teken zijn van het verbond tussen mij en jullie. In elke generatie opnieuw moet iedereen van het mannelijk geslacht besneden worden wanneer hij acht dagen oud is. Dit geldt niet alleen voor wie tot je eigen volk behoort, maar ook voor jullie slaven, of ze nu bij jullie geboren zijn of van vreemdelingen zijn gekocht; iedereen die bij jullie geboren is of door jullie is gekocht, moet worden besneden. Zo zal dit verbond met mij voorgoed zichtbaar zijn aan jullie lichaam.”
Als deel van Zijn verbond met Abraham stelt God dat alle mannen en jongens moeten worden besneden. Dit zou namelijk het teken worden van het verbond tussen de mannen en jongens enerzijds en God anderzijds. Kinderen kregen dus het teken van het verbond, en waren zodoende volwaardige deelnemers aan dit verbond.[11]
De kinderen speelden dan ook een centrale rol in Gods beloften aan Abraham (Gen. 12:2).[12] Zo liet God de voortzetting van het verbond afhangen van het ongeboren kind van een oude, niet meer vruchtbare, vrouw (Gen. 17:19).[13] En  de voortzetting van het verbond bleef afhankelijk van de geboorte en opvoeding van nieuwe kinderen.
Als deelnemers aan het verbond moesten kinderen ook Gods geboden leren kennen; om deze reden moesten ouders hun kinderen de geboden inprenten (Deut. 6:6-7). Byars merkt hierover op dat als men dit niet doet, dat dan de maatschappij haar ‘traditie’ op kinderen zal over­dragen.[14] Wanneer dit gebeurt, kan een kind niet functioneren als deel van het verbond. Men moest dus tijd maken om kinderen de kennis mee te geven die nodig was om deel van het verbond uit te maken, namelijk Gods geboden.[15]
Hiernaast kunnen we uit het gebod aan ouders om hun kinderen Gods geboden in te prenten ook opmaken dat van kinderen werd verwacht dat zij hun verbondsmatige verantwoor­delijk­heden zouden nemen.[16] Iets dat we ook terugzien in de maatregelen die men kon nemen als een kind deze verantwoordelijkheden niet nam. Zo mocht een kind met een stok geslagen worden (Spr. 13:24) en hardhandig gestraft worden (Deut. 21:18) bij ongehoorzaamheid. Uiteindelijk mocht een volledig onhandelbaar kind zelfs gedood worden, om zodoende het kwaad in de kiem te smoren (Deut. 21:19-21).
Een positief beeld
Ondanks dat kinderen in bepaalde situaties mochten worden geslagen en in het ergste geval mochten worden gedood, klinkt door het Oude Testament heen een positief beeld over kinderen. Zo waren ze een zegen en geschenk van God, gaven ze het leven zin en waren ze volwaardige deelnemers aan het verbond dat Abraham met God sloot. Ouders moesten dan ook de tijd nemen om hun kinderen Gods geboden te leren, zodat zij konden functioneren als deelnemers aan het verbond. De joden onderscheidden zich van veel van hun tijdgenoten door hardvochtige praktijken tegen kinderen (zoals abortus of te vondeling leggen) af te wijzen.[17]

Conclusie
Over de manier waarop in de tijd van het Oude Testament naar kinderen werd gekeken kunnen we het volgende zeggen:
• Het krijgen van kinderen werd gezien als een zegening van God. De uitspraak “wees vruchtbaar en wordt talrijk” uit Genesis 1:28 was dan ook geen gebod. God zorgt ervoor dat wij als mensen talrijk worden, niet wijzelf.
• Kinderen werden gezien als een geschenk van de HEER. Zij zijn namelijk als pijlen in een koker. Zo kunnen zij hun ouders beschermen, maar ook de invloedssfeer van hun ouders uitbreiden. Kinderen zijn echter alleen een zegen als het God zelf is die het huis(gezin) opbouwt.
• Het niet hebben van kinderen werd als ellendig ervaren. Vooral voor een vrouw, voor wie het vernederend was, verdriet bracht en voor wie het kon betekenen dat zij later niet de erfenis van haar man kon ontvangen. Maar ook voor een man, omdat zonder kinderen hij geen enkele blijvende invloed zou hebben en hij zijn bezit voor niets vergaard zou hebben.
• Had men echter wel kinderen, maar leefde men niet naar Gods wil, dan was men net zo goed als kinderloos. Men kon dan geen blijvende erfenis achterlaten. Dit zien we aan koning Jechonja, die als kinderloos te boek  moest  staan,  omdat geen van zijn kinderen zijn troonopvolger zou worden.
• Kinderen werden gezien als volwaardige deelnemers aan het verbond. Ze hadden daarin een centrale rol omdat van de geboorte van nieuwe kinderen de voortzetting van het verbond afhankelijk was.
• Kinderen moesten als volwaardige deelnemers aan het verbond Gods geboden leren kennen, zodat zij zouden kunnen functioneren als deelnemers aan het verbond. Ook moesten kinderen hun verbondsmatige verantwoordelijkheid nemen. Ouders mochten kinderen hardhandig straffen als zij ongehoorzaam waren. Uiteindelijk kon een kind worden gedood als het volledig onhandelbaar was.
• Door het Oude Testament heen klinkt een positief beeld over kinderen.

Geschreven door Fabian Eikelboom

[1] R.C. van Leeuwen, “‘Be Fruitful and Multiply’ Is This a Command or a Blessing?”, Christianity Today, 45.14 (2001), pp, 59-60
[2] D. Atkinson, De boodschap van Genesis, de morgenstond der schepping, Vertaald door B. Meijerink, Hoenderloo 2006, p. 48
[3] D.J. Estes, “Like Arrows in the Hands of a Warrior”, Vetus Testamentum, 41.3 (1991), p. 305
Dat verzen 1-2 en 3-5 van Psalm 127 niks met elkaar te maken hebben is overigens niet Estes’ standpunt. Maar het standpunt van C.A. Briggs en E.G. Briggs.
[4] P.D. Miller, “Psalm 127 – The House that Yahweh Builds”, Journal for the Study of the Old Testament, 22 (1982), p. 123
[5] idem, p. 127
[6] idem, p. 127
[7] D.J. Estes, “Like Arrows in the Hands of a Warrior”, pp. 310-311
[8] E.W. Davies, “Inheritance Rights and the Hebrew Levirate Marriage Part 1”, Vetus Testamentum, 31.2 (1981), p. 139
[9] E.W. Davies, “Inheritance Rights and the Hebrew Levirate Marriage Part 2”, Vetus Testamentum, 31.3 (1981), pp. 262-263, 268
[10] J. Schipper, “‘Exile Atones for Everything’”, Journal for the Study of the Old Testament, 31.4 (2007), pp. 483-485
[11] W. Brueggemann, “Genesis 17:1-22”, Interpretation, 45.1 (1991), p. 57
[12] J. Gundry-Volf, ““To Such as These Belongs the Reign of God”, Jesus and Children”, Theology Today, 56.4 (2000), p. 470
[13] W. Brueggemann, “Genesis 17:1-22”, p. 58
[14] R.P. Byars, “Deuteronomy 6:1-15”, Interpretation, 60.2 (2006), p. 196
[15] B.E. Willoughby, “A Heartfelt Love: An Exegesis of Deuteronomy 6:4-19”, Restoration Quarterly, 20.2 (1977), p.
[16] J. Gundry-Volf, ““To Such as These Belongs the Reign of God”, Jesus and Children”, p. 470
[17] Idem. p. 470

Comments are closed.