Kinderen en het koninkrijk deel 3: Het belang van kinderen volgens Jezus

Matteüs 18:1-5 (NBV 2004)
“Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?” Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer en zei: “Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan. Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel. En wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op.”
Als de leerlingen van Jezus druk bezig zijn met de vraag wie van hen de grootste in het koninkrijk is (Mar. 9:33-37), reageert Jezus door een kind als voorbeeld te nemen en zichzelf met dat kind te identificeren. Hiermee geeft Jezus aan dat Hij  groot belang hecht aan een kind. Wat Hij hiermee eigenlijk zegt,  is dat wij als een kind moeten zijn, omdat Hij als een kind is.
Dit belang wil ik in deze overdenking aan bod laten komen. Daartoe zullen de volgende onderwerpen aan bod komen:
• De timing van de discussie van de discipelen over wie van hen de grootste is
• Kinderen als voorbeeld voor ons
• De identificatie van Jezus met het kind
De timing van de discussie
Marcus 9:30-34 (NBV 2004)
“Ze vertrokken uit die streek en reisden door Galilea, maar hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam, want hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven. Hij zei tegen hen: “De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen hem doden, maar na drie dagen zal hij uit de dood opstaan.” Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden hem geen vragen te stellen.
Ze kwamen in Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg hij hun: “Waarover waren jullie onderweg aan het redetwisten?” Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen de belangrijkste was.
In zijn commentaar op het boek Marcus wijst English op het grote contrast dat zich toont in Marcus 9:30-34. Enerzijds hebben wij Jezus die vertelt dat Hij uitgeleverd zal worden aan de mensen, die Hem zullen doden. Dus: Jezus die zichzelf gaat opofferen. Aan de andere kant hebben wij de discipelen, die discussiëren over de vraag wie van hen de belangrijkste was. Dus: De discipelen die zichzelf vergroten. Wanneer Jezus hen vraagt waarover zij aan het redetwisten waren,  blijft het dan ook stil.[1]
Dat de leerlingen zich op zo een moment druk maakten over wie van hen het belangrijkst was,  komt op zijn zachtst gezegd erg lomp over. We zien er namelijk in terug dat de leerlingen zich erg druk maakten over hun status in het komende koninkrijk. Waarbij ze nog steeds dachten aan een aards koninkrijk, waarin Jezus koning zou zijn en de leerlingen zijn bevoorrechte dienaren.[2]
De discipelen dachten dus in termen van typisch menselijke waarden. Hun grootheid zou op den duur zichtbaar worden door hun hoge posities in het nieuwe koninkrijk. Jezus zelf zou met zijn reactie deze waarden echter op hun kop zetten.
Kinderen als voorbeeld voor ons
Matteüs 18:3b (NBV 2004)
“Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan.”
Op de gemiddelde Griekstalige lezer of hoorder van het evangelie van Matteüs zal de bovenstaande uitspraak van Jezus schokkend overgekomen zijn. In deel 2 van deze overdenking zagen wij namelijk al dat kinderen in de Grieks-Romeinse cultuur het vaak niet bijster goed hadden. Ze hadden immers geen rechten en waren marginaal.
Hiernaast was het in de Grieks-Romeinse cultuur een belediging om iemand met een kind te vergelijken. En het kind als voorbeeld voor volwassenen was nooit eerder in de joodse literatuur voorgekomen. Jezus’ uitspraak was in zijn tijd en cultuur dus erg vreemd.[3]
Jezus maakte echter van kinderen een voorbeeld voor volwassenen. En dit was niet zomaar een voorbeeld, want wie niet wordt als een kind zal het koninkrijk van de hemel niet binnengaan. Dit is een zware consequentie en roept de vraag op: wat betekent het, dat wij moeten zijn als een kind. Deze vraag wil ik hieronder beantwoorden. Dit zal ik doen door twee eigenschappen te behandelen die wij ons moeten toe-eigenen. De eerste is nederigheid, de tweede is openstaan voor het koninkrijk van God als een kind.
Nederigheid
Zijn als een kind betekent in de eerste plaats dat wij nederig moeten zijn (vgl. Mat. 18:4). We moeten de positie innemen die de kinderen in de Grieks-Romeinse tijd hadden. Namelijk die van de minst machtige en die van de minst belangrijke.[4] We moeten dus ieders dienaar worden (Mar. 9:35). Willen wij echter omwille van het prestige, hoge plaatsen in het koninkrijk bekleden. Dan vormt dit een onoverkomelijke barrière voor ons waardoor wij het koninkrijk van God niet binnen komen.[5]
Ook kunnen wij geen deel uitmaken van de geloofsgemeenschap als wij niet nederig willen zijn. De nederigheid die Jezus van ons verlangt, biedt een sterke correctie op wat Tiede noemt: “self-centered delusions of greatness”. Doordat mensen zichzelf vaak geweldig vinden, passen zij juist niet in het koninkrijk. Zij willen namelijk niet dienen. En als zij leiders zijn, is hun leiderschap gebaseerd op hun slechte en zwakke menselijke natuur, waardoor zij nooit stabiliteit in een gemeenschap kunnen brengen.[6]
Zonder nederigheid, zowel bij leiders als gemeenteleden, kan men dus nooit een gemeenschap vormen. Yates Siker gaat zelfs zo ver dat zij stelt dat mensen die zich te druk maken om hun sociale status,  niet open kunnen staan voor deze les over leven in een gemeenschap. Waardoor zij het model voor het binnengaan van het koninkrijk niet kunnen volgen en niet de titel “kinderen van het koninkrijk” kunnen dragen.[7]
Openstaan als een kind 
Marcus 10:15 (NBV 2004)
“Ik [Jezus] verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.”
Wanneer we het hebben over openstaan voor het koninkrijk, is het belangrijk om erbij stil te staan dat wij niet openstaan voor een vaag concept. Maar openstaan voor het ontvangen van een concreet koninkrijk met daarbij komende voordelen. Zoals het bevrijd zijn van zonden, genezing van ziekten, enzovoorts. Wij ontvangen deze giften uit genade en zijn afhankelijk van die giften. Wij kunnen niet zonder hen.
Plantinga stelt hierover dat het niet alleen meer gezegend is om te geven dan om te nemen,  maar dat geven ook een stuk gemakkelijker is. Wanneer wij namelijk geven, werken wij vanuit onze kracht, en kunnen we zelf bepalen hoe en wat wij geven, haast alsof wij God zijn. Maar wat nou als wij niks te geven hebben, maar altijd de ontvangende partij zijn? Dan zouden wij ons waarschijnlijk erg vernederd en afhankelijk voelen, en dan kunnen wij niets meer bepalen, maar dan bepalen anderen voor ons.
Velen maken zich dan ook zorgen over de vraag wat er gebeurt als zij ernstig ziek worden of verlamd raken (vgl. Joh. 21:18). Want niemand wil afhankelijk zijn. En toch, moeten wij ons afhankelijk van God opstellen. Net zoals de kinderen in de Grieks-Romeinse tijd volledig afhankelijk waren van hun ouders. We moeten er toe in staat zijn om een gift te ontvangen, zonder ons daarbij in onze trots gekrenkt te voelen.[8]
De identificatie van Jezus met het kind
Marcus 9:37
“Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft. ”n
In de bovenstaande uitspraak identificeert Jezus zich met een kind.[9] Maar wat zijn de overeenkomsten tussen Jezus en dat kind? Waarom zou Jezus zichzelf met zo een kind identificeren? Deze vraag wil ik hieronder beantwoorden. Het antwoord bestaat uit twee eigenschappen. Namelijk dat Jezus nederig was en dat hij afgewezen werd.
Nederigheid
Jezus zegt met de bovenstaande uitspraak dat Hij op een nederige manier tot mensen komt.[10] Deze nederige weg zien we ook al in Matteüs 25:31-46, waar Jezus zichzelf identificeert met de onaanzienlijke hongerigen, dorstigen, vreemdelingen en naakten (vgl. Spr. 19:17). De vraag is echter wat deze nederige weg betekent.
Ten eerste zien we dat Jezus zelf een groot voorbeeld was als het op nederigheid aankwam. Zo weigerde hij de wereldheerschappij die satan Hem aanbood (Luc. 4:5-7) en waste Hij op een gegeven moment de voeten van de leerlingen in Johannes 13:1-17. Hij stelde zich dus dienstbaar op, terwijl Hij in een positie zat waarin Hij alles voor zich kon laten doen. De wereldse waarden op hun kop.
Ten tweede zien wij hierin ook de manier waarop Jezus zich aan ons persoonlijk kenbaar maakt. Hij komt niet met veel bombarie onze levens binnengewaaid om ons met enorme wonderen, tekenen en dergelijke ervan te overtuigen dat Hij onze geweldige redder is. Maar door zijn nederige dienaars. Waarvan Paulus, een man die niet welbespraakt, niet verbijsterend wijs, zwak, angstig en onzeker was (1 Kor. 2:1-3), een voorbeeld is. En waarvan vandaag de dag velen, die wij in eerste instantie als ‘ongeschikt’ zouden zien, ook voorbeeld zijn.
In deze identificatie zit voor ons een belangrijke les als het gaat om het bereiken van mensen. Om mensen te bereiken moeten wij nederig en dienstbaar zijn. Zoals Paulus en Jezus dat waren. Vertrouwen wij te veel op onze eigen kracht, methoden, enzovoort. Dan proberen wij zelf mensen aan te overtuigen in plaats van de Heilige Geest dit door ons heen te laten doen (vgl. 1 Kor. 2:4-5). En dan falen wij. Wij moeten langs de nederige weg tot anderen komen.
Hiernaast zegt het ook iets over het werk dat wij moeten doen voor God. Hij laat regelmatig mensen op ons pad komen die marginaal, hongerig, dorstig, enzovoort zijn. Hoe gaan wij met hen om? Laten wij hen op dienstbare wijze Gods liefde kennen? Of wijzen wij hen af? Vele mensen denken dat zij niet geroepen zijn voor deze mensen in hun omgeving. Cerullo ziet dit echter anders, volgens hem is iedereen geroepen is om te evangeliseren binnen zijn eigen invloedssfeer (vgl. Ef. 6:15).[11] God komt op nederige wijze via deze mensen onze invloedssfeer binnen en doet een beroep op ons om Zijn evangelie te delen. Een beroep dat wij moeten beantwoorden.
Jezus de lijdende afgewezene 
In deel 2 van deze overdenking is aan bod gekomen dat veel kinderen geaborteerd en te vondeling gelegd werden. Deze kinderen werden verraden door hun ouders en afgewezen door de maatschappij en zouden sterven of slaven worden. Ook Jezus zou door de zijn eigen volk verraden worden en door de maatschappij afgewezen worden. Om uiteindelijk te sterven (Luc. 23:13-25).[12]
Deze afwijzing was niet zomaar een afwijzing. Moessner wijst erop dat de menigte tot driemaal toe opriep tot het doden van Jezus (Luc. 23:18, 21 & 23). En dat de hele maatschappij klaarstond om Jezus ter dood te veroordelen. Namelijk zowel het volk als haar leiders als haar heidense gouverneur (Luc. 23:13-25).[13]
In deze identificatie (en ook in het verhaal van Jezus) zit een waarschuwing voor ons als christen. Er kunnen mensen zijn die ons afwijzen omwille van wat wij geloven en waar wij voor staan. Dat kan in mindere of meerdere mate zijn. En het kan soms compleet onbe­grijpelijk zijn. Iets dat we ook terugzien in de beschrijving die Lucas geeft van de menigte die opriep tot Jezus’ dood. Hij beschrijft deze feitelijk, maar legt niet uit waarom de menigte hiertoe oproept. Waarschijnlijk omdat hijzelf niet kon beseffen waarom de menigte om Jezus’ dood zou roepen.[14] Zo zullen wij ook mensen tegenkomen die zich tegen ons gedragen op een manier waarvan wij niet begrijpen waarom.
Conclusie
Over het belang dat Jezus aan kinderen hechtte, kunnen we het volgende zeggen:
• Jezus zette de menselijke waarden op hun kop door zijn kijk op kinderen.
◦ Jezus zag kinderen als een voorbeeld voor ons.
◦ Wij moeten nederig zijn als kinderen. Dat wil zeggen dat wij de positie in de maatschappij moeten innemen die de kinderen in de Grieks-Romeinse tijd hadden. Namelijk die van de minst belangrijke persoon, en ieders dienaar.
• Wij moeten openstaan voor het koninkrijk als kinderen. Dat wil zeggen dat wij bereid moeten zijn om totaal afhankelijk te zijn van God. Zonder dat wij ons daardoor in onze trots gekrenkt voelen.
• Jezus identificeerde zichzelf ook met kinderen (en andere marginalen).
◦ Jezus komt tot ons via de nederige weg. En wij moeten via diezelfde nederige weg tot anderen komen. Ook doet God binnen onze invloedssfeer een beroep op ons om zijn evangelie te delen, een beroep dat wij moeten beantwoorden.
◦ Jezus werd zoals vele kinderen uit zijn tijd verraden door zijn eigen volk en afgewezen door de maatschappij. Iets dat ook voor Lucas onbegrijpelijk was, maar dat ons ook (in meer of mindere mate) kan overkomen.

Geschreven door Fabian Eikelboom

[1] D. English, “De boodschap van Marcus, het geheimenis van het geloof”, vertaald door uitgeverij novapres te Apeldoorn, Apeldoorn (1998), p. 201
[2] J.F. Walvoort, Matthew, Thy Kingdom Come: A Commentary on the First Gospel, Chicago (1974), p. 134
[3] J. Gundry-Volf, ““To Such as These Belongs the Reign of God”, Jesus and Children”, Theology Today, 56.4 (2000), p.472
[4] J. Yates Siker, “Unless You Become Like Children…”, The Living Pulpit, 12.4 (2003), p. 21
[5] D.B. Garlington, “”Who is the Greatest?””, Journal of the Evangelical Theological Society, 53.2 (2010), p. 315-316
[6] D.L. Tiede, “The Kings of the Gentiles and the Leader Who Serves: Luke 22:24-30”, Word & World, 7.1 (1992), pp. 27-28
[7] J. Yates Siker, “Unless You Become Like Children…”, p. 21
[8] C. Plantinga Jr., “On the Receiving End: What Jesus really meant about becoming like little children”, Christianity Today, 44.1 (2000), pp. 72-73
[9] J.M. Gundry-Volf, “Mark 9:33-37”, Interpretation, 53.1 (1999), p. 59
[10] D. English, “De boodschap van Marcus, het geheimenis van het geloof”, p. 202
[11] M. Cerullo, You Can Know how to Defeat Satan: A Spiritual Strategy for Victory, San Diego, CA (2002), pp. 184-185
[12] J.M. Gundry-Volf, “Mark 9:33-37”, pp. 59-60
[13] D.P. Moessner, “The ‘Leaven of the Pharisees’ and ‘This Generation’; Israëls Rejection of Jesus According to Luke”, Journal for the Study of the New Testament, 34 (1988), pp. 21, 41
[14] Idem. p. 21-22

Comments are closed.